Productie van natuurgips

Zoals bij het ontstaan is beschreven, wordt natuurgips gedolven in een dihydraat-vorm (ruwe gips). Deze vorm reageert niet met water, er moet eerst een hemihydraat-vorm (poedervorm) van worden gemaakt. Dit gebeurt door de gedolven gipssteen te verkleinen tot brokken van circa 2 cm. Vervolgens wordt ¾ van het kristalwater eruit gehaald, dit bereikt men door het gesteente tot hoge temperatuur te verhitten, waardoor het kristalwater verdampt. Dit proces heet gipsbranden. Gipsbranden kan op twee manieren: droogbranden en natbranden.

Natbranden gebeurt in autoclaven. Het branden in autoclaven is in 1899 gepatenteerd door ene Lewinski. Bij verhitting tot 130-135°C ontstaat na 4 uur een druk van 4 tot 5 bar. Onder deze omstandigheden worden de watermoleculen voorzichtig uitgedreven. Hierna wordt de autoclaaf geleegd en het gips in droog kamers bij 105°C onder normale druk gedroogd en fijngemalen. Er onstaan kristallen die een compacte en regelmatige structuur hebben, alfa-kristallen. Dit resulteert in een geringe wateropname bij het mengen en een grote mechanische stevigheid. De verwerkingseigenschappen van alfakristallen kunnen worden beïnvloed door middel van versnellers, vertragers en andere additieven om de expansie, hardheid en viscositeit te bepalen. Alfa-gips is een klasse IV-gips.

Droogbranden gebeurt in een kookketel. Het gips wordt tot tussen de 120 en 180°C verhit. Omdat hierdoor het kristalwater snel wordt uitgedreven ontstaan er kristallen met een vage vormloze structuur (amorfe), betakristallen. Hierdoor is meer water bij het mengen nodig en heeft het gips een geringere mechanische hardheid. Beta-gips is een klasse II-gips.

Een mengsel van alfa- en betagips is een klasse III gips.

Na het branden wordt het product naar de opslagsilo’s geblazen, waar men het product circa 3 dagen in deze silo’s laat rusten om de optimale kwaliteit te verkrijgen. Vervolgens wordt het gips naar de mengers geblazen waar het gips met toevoegingen, zoals versnellers, expansie additieven, verharders, wordt vermengd. Door middel van deze toevoegingen wordt het vereiste gipsproduct verkregen. In de mengers geschiedt tevens het kleuren van het gips. Vervolgens wordt het product naar de afvulsilo’s getransporteerd en in de juiste verpakking, 4-wandige zak met Poly Ethyleen folie, recyclebaar verpakt. Als laatste wordt de verpakking dicht genaaid en wordt er over de naad een strook geplakt, hierdoor worden de eigenschappen van gips goed bewaard en behouden.

Beïnvloeding van eigenschappen

Tijdens het gips productieproces worden er toevoegingen/additieven bij gemengd om de eigenschappen van de gips te beïnvloeden. Hierdoor kan bijvoorbeeld de verwerkingstijd en afbindtijd verlengd of verkort worden. Ook kan hierdoor de viscositeit, hardheid en de expansie worden beïnvloed. Hieronder worden de meest gebruikte toevoegingen beschreven, afhankelijk van de type gips.

Chemische stof

Een chemische stof wordt toegevoegd om versplintering van gips bij het bewerken tegen te gaan en de elasticiteit te verhogen. Nadeel: het gips wordt dikker. Dit wordt weer tegengegaan door middel van een vloeimiddel.


Vloeimiddel

Vloeimiddel wordt toegevoegd zodra de gips een andere viscositeit nodig heeft (hoge viscositeit is dik, lage viscositeit is dun bijv. water).


Vertrager/versneller

De vertrager of versneller zorgen voor het sturen van de verwerkingstijd en de afbindtijd. Het is echter onmogelijk om dit op de minuut nauwkeurig in te stellen, er is altijd een tolerantie van circa 10/20%. De verwerkingstijd van gips kan niet eindeloos worden verkort of vertraagd, teveel versneller of vertrager beïnvloeden expansie.

Expansiestabilisator

Indien de expansie vanwege sommige toevoegingen als een bijeffect wordt veranderd, kan er een expansiestabilisator worden toegevoegd. De hoeveelheid te gebruiken stabilisator hangt af van het te overbruggen expansieverschil per klasse gips.

Webwinkel